U bent hier: Home Hulpvragen Gedragsproblemen
Persoonlijke hulpmiddelen

Gedragsproblemen

 

Gedragsproblemen

Er zijn kinderen die opvallend gedrag vertonen als gevolg van een ontwikkelingsstoornis. Het is belangrijk om dit te onderscheiden van opvallend gedrag dat bewust gebruikt wordt (om op te vallen of aandacht te krijgen) of dat aangeleerd is door imitatie of als gevolg van een bepaalde pedagogische situatie.

Kinderen met gedragsproblemen die voortkomen uit ontwikkelingsstoornissen zijn niet normaal te corrigeren omdat het gedrag niet bewust of opzettelijk is. Zij moeten geholpen worden om hun problematische gedrag bewust te vervangen door gewenst gedrag dat niet tot hun normale repertoire behoort. Dit kost enorm veel inspanning van deze kinderen en van hun opvoeders. Soms is daarvoor gedragstherapie nodig of ondersteuning met medicijnen.

Aandachtsstoornissen, overbeweeglijkheid en contactproblemen geven de meeste last in de klas en bij het leren. Als zo'n kind echter door de leerkracht het etiket "lastig" krijgt opgeplakt, zal het meer emotionele stoornissen en gedragsstoornissen krijgen als gevolg van faalangst en negatieve feedback. Tijdig herkennen en signaleren kan voorkomen dat een kind met een probleem een problematisch kind wordt.

 

Overbeweeglijkheid (hyperkinetisch gedrag)

Sommige kinderen zitten nooit stil. Ze zijn in de ogen van hun opvoeders erg druk en overbeweeglijk. Als leerkracht kun je daar behoorlijk last van hebben. Maar ook de kinderen kunnen daar onder lijden. Het overbeweeglijke kind kan zelf last hebben van zijn eigen onrust evenals de kinderen om hem heen.

Overbeweeglijkheid hoort tot op zekere hoogte bij de ontwikkelingsfase van een klein kind. Jonge kinderen hebben een grote bewegingsdrang; ze willen van alles ontdekken en zitten overal aan. Daarnaast ontstaat er een groeiend zelfbewustzijn, ze ontdekken het eigen ik en de eigen wil en ze hebben moeite het gezag van opvoeders te accepteren. Ze zijn dwars en koppig en willende eigen zin doen. Ze verkennen grenzen en nemen meer bewegingsruimte.

Toch is er een aantal gedragingen en gedragskenmerken te noemen dat bij overbeweeglijke kinderen verhoudingsgewijs meer voorkomt:

  • rusteloos en overactief gedrag

  • overal op en aan zitten

  • van alles omver lopen

  • moeilijk slapen

  • opgewonden en impulsief zijn

  • andere kinderen storen

  • dingen niet afmaken

  • niet kunnen stilzitten, wiebelen

  • onoplettend en snel afgeleid zijn

  • verlangens moeten meteen vervuld worden, voelen zich snel gedwarsboomd

  • huilen gemakkelijk en vaak

  • stemming kan plotseling omslaan

  • emotionele uitbarstingen, onvoorspelbaar gedrag.

Overbeweeglijk gedrag komt meer voor bij jongens dan bij meisjes (verhouding 8:1). Volgens schattingen - afhankelijk van de definitie - gaat het in Nederland om 5 tot 15% van de kinderen.

 

Hoe krijg je het?

Vaak associeert men overbeweeglijkheid direct met ADHD (Attention Deficit and Hyperactivity Disorder). ADHD is een soort verzamelbegrip geworden waarnaar men te snel grijpt om gedragsverschijnselen te verklaren.

In bepaalde gevallen is het inderdaad mogelijk dat de oorzaak van overbeweeglijk gedrag ligt in de disfunctie van bepaalde hersengebieden. Het lijkt echter verstandig om verklaringen voor overbeweeglijk gedrag eerst zowel letterlijk als figuurlijk dichter bij huis te zoeken.

 

Oorzakelijke factoren zijn te vinden in het kind, in de situatie thuis of in situatie op school.

Oorzakelijk factoren in het kind:

  • temperamentvolle kinderen doen veel dingen intensief, maar hebben wel een rem op hun gedrag d.w.z. niet overactief, geen stemmingswisseling, enz.

  • onzekerheid, angsten en spanningen van het kind veroorzaakt door omgevingsfactoren (zie ook verderop, onder 'situatie thuis' en 'situatie op school'

  • hersenbeschadiging

  • hersendysfunctie: een onderdeel van de hersenen werkt niet helemaal goed

  • allergie: het overgevoelig reageren op bepaalde producten.

Oorzakelijke factoren in de situatie thuis:

  • het gedrag van het kind kan een reactie zijn op de opvoeder-kindrelatie. Dit kan te maken hebben met de opvoeding. De opvoeders weten bijvoorbeeld niet goed in te spelen op hun kind; zij laten zich te veel op sleeptouw nemen door het kind, zijn inconsequent in hun reacties, stellen te hoge eisen aan het kind of maken het kind te weinig duidelijk wat zij van hem of haar verwachten.

  • ook kan het zijn dat er thuis ingrijpende gebeurtenissen plaatsgevonden hebben of plaatsvinden die spanningen met zich mee brengen voor het kind en voor de andere gezinsleden, zoals: gezinsuitbreiding, echtscheiding, verhuizing, ernstige ziekte van het kind of van één van de gezinsleden. Kinderen kunnen hierdoor zo nerveus worden dat ze overbeweeglijk gedrag gaan vertonen.

De overbeweeglijkheid van het kind kan ook gebonden zijn aan de school, thuis is er van de overbeweeglijkheid niets te merken. Het heeft dan zeker zin te zoeken naar oorzaken en factoren in de situatie van het kind op school.

Oorzakelijke factoren in de situatie op school:

  • het kan zijn dat het kind zich onveilig voelt in de groep bijvoorbeeld door het gedrag van andere kinderen, of doordat het niet goed weet wat er van hem verwacht wordt. Hierdoor kan het kind angstig en onzeker worden. Deze gevoelens kunnen overbeweeglijk gedrag veroorzaken

  • de leerkracht zelf kan druk zijn en die onrust op bepaalde kinderen overdragen

  • ook de omgeving kan een kind erg onrustig maken; bijvoorbeeld een rommelig lokaal, een plaats bij de deur waar voortdurend kinderen in- en uitgaan enz...

  • bijzondere gebeurtenissen kunnen ook onrust teweeg brengen zoals: Sinterklaas vieren, een verjaardag vieren, de komst van een nieuwe leerkracht of een nieuw kind in de klas.

 

Wat kunt u als leerkracht doen?

Meestal is het niet mogelijk om een bepaalde oorzaak aan te wijzen voor het gedrag van het overbeweeglijke kind. Bijna altijd is er sprake van meerdere, elkaar versterkende factoren.

Als enkele van die factoren te beïnvloeden zijn, zie je soms het gedrag van het kind al verbeteren. Daarnaast moet je rekening houden met het feit dat overbeweeglijkheid een gedragskenmerk van het kind kan zijn waarop u als leerkracht slechts geringe invloed kunt uitoefenen.

Regelmaat:

  • zorg voor duidelijkheid en regelmaat in de dagindeling, zodat het kind weet waar het aan toe is

  • kondig van tevoren aan wanneer u overgaat op een andere activiteit

  • vermijd zoveel mogelijk onverwachte gebeurtenissen

  • bereid het kind voor (maar niet te lang van tevoren) op nieuwe situaties, bijvoorbeeld wanneer er een verjaardag gevierd wordt; beschrijf dan gedetailleerd wat de opeenvolging van gebeurtenissen zal zijn.

Rust:

  • geef alle spullen - zeker die van het kind - een vaste plaats

  • laat het kind in een tafelgroep zitten met rustige kinderen, die als model voor hem kunnen dienen

  • zorg voor een rustig lokaal en een opgeruimde omgeving

  • geef het overbeweeglijke kind een rustige plek in het lokaal, niet vlak bij de deur

  • zorg voor rust in uw eigen gedrag.

Structuur:

  • hanteer duidelijke en eenvoudige gedragsregels met duidelijke positieve en aanmoedigende consequenties bij gewenst gedrag en negatieve consequenties bij ongewenst gedrag

  • beperk de keuzemogelijkheden van het kind. Laat het kind wel kiezen, maar bijvoorbeeld uit 2 mogelijkheden

  • praat met het kind in korte duidelijke zinnen

  • geef korte opdrachten - liefst één tegelijk - die stap voor stap uitgevoerd kunnen worden. Doe het eventueel voor en vraag het kind het op zijn eigen manier na te doen

  • bied structuur aan in het spel; b.v. eerst samen met het kind spelen, daarna het kind alleen (met andere kinderen) laten spelen

  • bied het kind niet te veel tegelijk aan en ruim tussentijds (samen) op.

Positieve feedback:

  • het geven van aanmoedigingen is voor een overbeweeglijk kind nog belangrijker dan voor een ander kind. Ook al doet het zijn best, er gaat zoveel fout dat het zelfvertrouwen er voortdurend door ondermijnd wordt. Dat zelfvertrouwen is niettemin enorm belangrijk, daarom: moedig aan

  • zoek positieve punten om het gedrag van het kind te kunnen prijzen of belonen

  • probeer rustig gedrag van het kind zo systematisch mogelijk te versterken door er aandacht aan te schenken in de vorm van een complimentje, een aai over de bol, een knipoog of iets dergelijks. Benoem daarbij het positieve gedrag dat u op deze manier wilt versterken

  • probeer aan negatief gedrag niet teveel aandacht te besteden, zo mogelijk te negeren

  • een overbeweeglijk kind moet duidelijk merken dat hij over de schreef gaat. Een of andere vorm van straf is soms noodzakelijk. Houd er wel rekening mee dat straffen nogal wat nadelen heeft. Je komt veel verder als je je concentreert op het aanmoedigen van het tegenovergestelde gewenste gedrag. Als u straft, gebruik dan telkens en  onmiddellijk een milde en logische straf. Soms helpt het om het kind uit de situatie te halen en even apart te zetten.

Stimulansen:

  • zorg voor afwisseling in de perioden van activiteit en rust en ontspanning

  • geef ruimte - letterlijk en figuurlijk - om te experimenteren en te bewegen

  • wanneer het kind motorisch onhandig is, bied dan groot speelmateriaal aan en speelmogelijkheden met bewegen in plaats van precieze spelletjes of materiaal voor fijne motoriek

  • leer het kind bewegingsspelletjes zoals schommelen en steppen, zodat het kind (eventueel via nadoen) een betere coördinatie en beheersing krijgt

  • wanneer het kind slechts kort in staat is tot spel dat een bepaalde concentratie vraagt, onderbreek dan het spelen na verlies van concentratie en ga daarna weer verder

  • wanneer het kind slechts kort in staat is tot gestructureerd spel, maak dan een activiteitenprogramma (dat dagelijks herhaald kan worden) met een aantal gevarieerde spelletjes

  • vertel de opvoeders wat u op school doet om de beweeglijkheid in te dammen. Probeer ervoor te zorgen dat thuis onderdelen van uw aanpak overgenomen worden.

 

Aandachtsstoornis

Bij aandachtsstoornissen gaat het om kinderen die hun rusteloze gedrag niet onder controle kunnen krijgen op momenten waarop van ze verwacht wordt dat ze zich concentreren. Bijvoorbeeld tijdens instructies of bij het uitvoeren van opdrachten. Ze blijven voortdurend in beweging, zitten te wiebelen en te draaien, lopen van hun plaats, stoten andere kinderen aan. Ze hebben daarmee een nadelige invloed op hun omgeving en op hun eigen ontwikkeling. Dit laatste doordat ze te weinig instructies oppikken en hun opdrachten niet goed uitvoeren.

Het lijkt erop dat kinderen met aandachtstekort niet goed in staat zijn belangrijke van onbelangrijke informatie te scheiden. Zij kunnen eigen impulsen en achtergrondprikkels te weinig onderdrukken. Zij richten hun aandacht niet goed en kunnen de aandacht niet lang ergens bijgehouden.

Een disfuncte is neurologisch meestal niet vast te stellen. Men spreekt tegenwoordig van ADHD-kinderen, als aandachtstekort en overbeweeglijkheid samengaan (ADHD=Attention Deficit and Hyperactivity Disorder).

Als oorzakelijke factoren bij aandachtstekort vinden we:

  • hersenafwijking, ontstaan voor, tijdens of na de geboorte. Bijvoorbeeld ten gevolge van een infectie, epilepsie, trauma of medicijnen tijdens de zwangerschap

  • erfelijke of familiaire factoren

  • gehoorproblemen.

Bij vermoedens van aandachtstekort-stoornis dient u te letten op gedrags- en leerproblemen. Het is zaak dat de zintuigen (vooral het gehoor) goed onderzocht worden. Ook de emotionele ontwikkeling en vooral het zelfbeeld van het kind is belangrijk. Een negatief zelfbeeld kan leiden tot faalangst of agressie.

 

Wat kunt u als leerkracht doen?

  • Geef het kind een rustige plaats in de klas, zodat er zo weinig mogelijk storende prikkels zijn

  • vVerzeker u er regelmatig van dat de aandacht is gericht op de opdracht

  • Ga bij instructies naar het kind toe, noem zijn naam, kijk het aan, wacht tot het u aankijkt, spreek kort en duidelijk, geef niet meer dan één opdracht tegelijk, en laat zo mogelijk de boodschap herhalen.

 

Contactstoornis

Van een contactstoornis is sprake als een kind geen belangstelling heeft voor de ander en ook niet op hem reageert. De ander krijgt het vreemde gevoel als voorwerp benaderd te worden en het kind niet te kunnen bereiken of aanspreken. In extreme en zuivere vorm heet dit in zichzelf gekeerd en egocentrisch gedrag "autisme". Er zijn echter ook mildere vormen en aan autisme-verwante stoornissen.

Opvallende kenmerken zijn:

  • geen of weinig oogcontact

  • geen of weinig reactie als er iemand binnenkomt

  • het kind vertelt niet over wat het elders meemaakt

  • vaak opvallende langdurig herhaalde motorische verschijnselen, zoals fladderen, alsmaar ronddraaien, op en neer springen, heen en weer hollen, wiegen of schommelen, kloppen of trommelen

  • obsessieve voorkeur voor bepaalde voorwerpen of handelingen, zoals:

  • schakelaars alsmaar aan en uit doen
  • WC doortrekken
  • deuren open- en dichtdoen
  • het verzamelen van waardeloze voorwerpen
  • het opzoeken en betasten van onbelangrijke details.

Deze gedragingen belemmeren het leren en het sociale functioneren.

 

Wat kunt u als leerkracht doen?

  • Bespreek uw ongerustheid over de contactname en de betrokkenheid van het kind met de opvoeders

  • Adviseer nader onderzoek, ook op zintuigafwijkingen en ontwikkelingsstoornissen

  • Overleg met de jeugdarts van de GGD over begeleidings- en verwijzingsmogelijkheden.

Document acties